De Ringdijk, met rechts daarvan het al weer gezakte water, gezien vanaf de toren van de Singelkerk.
De Ringdijk, met rechts daarvan het al weer gezakte water, gezien vanaf de toren van de Singelkerk.

WATERSNOOD ’53 (2)

Algemeen

rubriek Stichting Oud Ridderkerk

De schrijver, Teun Rijsdijk, is op 1 februari 1953 ’s morgens vroeg op de fiets met zijn vader op weg naar zijn grootouders die aan de Benedenrijweg in Slikkerveer wonen.

Af en toe stak er een paaltje boven water uit als een teken dat daar de dijk ophield. Uit het duister kwam schommelend een matras aandrijven waar iets zwarts op zat. Opeens sprong het op de straat en schoot vlak voor mijn wiel naar de overkant. Het was een kat, hij zag er echt uit als een verzopen kat, maar hij had zich weten te redden. Ik fantaseerde dat ik in een bootje rondvoer en mensen redde. Opeens voelde ik de dijk onder me schudden.
M’n vader keek om. ‘Gaat het?’, riep hij. Ik knikte, natuurlijk ging het, ik was geen kind meer, ik was tenslotte al elf jaar! ‘Als de dijk gaat, gaan wij mee’, schreeuwde hij. ‘Misschien is dat dan wel de straf omdat we op zondag fietsen’, dacht ik, ‘en ook omdat m’n licht het niet doet.’ (Fietsen op zondag was er bij ons thuis toen niet bij en licht op je fiets was ook heel gewoon. Ja, de tijden zijn veranderd).
‘Doe niet zo gek, dit is een noodgeval. In de oorlog deden de mensen ook dingen die je normaal niet mocht doen.’
Links van ons beneden aan de droge kant van de dijk waren overal mannen bezig met zandzakken vullen en stenen tegen de dijk leggen om hem te verstevigen. Op veel plaatsen stonden groepjes mensen met bange ogen naar het laagje water te kijken dat over de dijk stroomde. Ze praatten zachtjes met elkaar. Toen we ter hoogte van het huis van mijn opa en oma gekomen waren liepen we met de fiets aan de hand het trapje af dat langs de dijk naar beneden ging. Opa en oma zaten aangekleed in de kamer, ze waren erg rustig. Oma pakte een trommeltje van het theemeubel en gaf me een polkabrok. Boven het kastje hing een spreuk: ‘Zelfs de donkerste wolk heeft een zilveren rand’. De donkere wolk zag ik wel maar de zilveren rand ontging me. Over de radio kwamen ernstige berichten. Er waren overal dijken doorgebroken en in Zeeland waren veel mensen verdronken. Sommigen zaten op de daken van de huizen met hun voeten in het water schreeuwend om hulp die voor velen te laat kwam. Honderden koeien en varkens dreven dood in het golvende water. Er was een ramp gebeurd. Zo zaten we een paar uren en niemand zei veel. Toen kwam de buurman zeggen dat het eb werd en dat voor Ridderkerk het grootste gevaar geweken was. Oma zei tegen m’n vader dat hij weer naar huis moest gaan, naar z’n vrouw en kinderen. We reden terug langs de Benedenrijweg, voortgejaagd door de wind. Overal lagen zandzakken en op veel plaatsen hadden de mensen de tegels uit het trottoir gehaald om tegen de dijk te leggen. We kwamen langs de boekhandel van Jan Huizer, een man die in een rolstoel zat naar men zei vanwege een blindedarm operatie die niet helemaal vlekkeloos verlopen was. Of dat echt waar was weet ik niet. Daarna fietsten we langs de Dr. Kuyperschool, ik hoef u niet meer te vertellen dat ik daar een groot gedeelte van mijn jeugd doorgebracht heb, en ik vond het eigenlijk jammer dat hij niet aan de andere kant van de dijk lag en ook onder water stond. De dag daarop waren we vrij en vond ik de portemonnee van de moeder van mijn vriendje terug. Zij woonden aan de Molendijk vlak bij de viswinkel van den Ouden en hadden ook moeten vluchten voor het water. Ik was een held.

Teun Rijsdijk

Onderschrift foto: De Ringdijk, met rechts daarvan het al weer gezakte water, die ik op die bewuste nacht heb uitgereden gezien vanaf de toren van de Singelkerk. 

Advertenties uit de krant