
Terug in de tijd met Stichting Oud Ridderkerk
AlgemeenKwajongensstreken of kleine criminaliteit (1)
Ik heb in mijn jeugd dingen gedaan die niet door de beugel konden.
Appeltjes pikken bij voorbeeld, om maar eens een van de minste te noemen. Sommige mensen noemen dit ook wel kwajongensstreken, maar het ligt er maar aan wie dit zo noemt. Als het jouw appeltjes zijn noem je het anders.
Wij pikten appeltjes uit de tuin van Cornelis Verolme. Hij merkte er toch niks van, de appeltjes werden nooit geplukt, behalve door ons dan en hij had het veel te druk met mammoettankers bouwen. Ze waren zo zuur (de appeltjes bedoel ik een mammoettanker heb ik nog nooit geproefd) dat ik ze thuis zou laten liggen, maar ja, de spanning maakte ze lekker.
Op een keer zaten wij met een paar jongens boven in de appelboom toen de huishoudster ons zag en de tuin inkwam om ons weg te jagen. Op ons maakte dat geen indruk, wij gooiden wat appeltjes naar haar toe maar toen ze wegliep met de mededeling dat ze de politie ging bellen, maakten we dat we wegkwamen.
Op een andere keer kwam iemand met een lang stuk touw aan en bonden wij een aantal deurknoppen in de straat aan elkaar waarna wij overal aanbelden. Dat gaf wat gedoe met deuren die niet open konden. Toen iemand zijn deur wel een stukje open kreeg en de straat in probeerde te kijken trok een van ons hard aan het touw zodat de man met zijn hoofd klem kwam te zitten. Het touw zijn we wel kwijtgeraakt.
Ook met een spiegeltje vanaf de straat iemand in zijn gezicht schijnen die in huis zat te eten of de krant lezen, was populair.
Oké, totnogtoe kunnen we het nog wel kwajongensstreken noemen evenals het d.m.v. een brandglas laten smelten van het celluloid omhulsel van een fietsstuur. Ook de veters van een nietsvermoedend iemand in brand steken met een brandglas was onschuldig maar het leeghalen van een palingfuik of het stropen met een net in verpacht viswater wordt al een beetje crimineel. Ik zeg met opzet, een beetje, omdat wij dat niet zo zagen.
Uit mijn aller vroegste jeugd herinner ik mij dat er, vlak na de oorlog, een viaduct naast de Kerkweg over de Rijksweg gebouwd werd. Er was een nachtwaker, die elke avond behoorlijk dronken op een laddertje klom om lantaarns op te hangen bij de gevaarlijke plekken. Op een dag zaagde iemand een tree uit het trapje en de man viel zich bijna te barste.
Over het randje, vind ik.
Belletje trekken is tamelijk onschuldig evenals portemonneetje trekken. Dat ging zo; je nam van huis een lege portemonnee mee, andere waren er bijna niet, deed er een draadje garen aan en legde hem op het trottoir. Zelf kroop je weg en als iemand de portemonnee op wilde rapen trok je aan het touwtje.
(wordt vervolgd)
Teun Rijsdijk

















