Met de kippen op stok.
Met de kippen op stok.

Een filosofische instelling

Als er vroeger iets gebeurde wat niet helemaal door de beugel kon zeiden we; het mos niet magge of; de plisie mos er naar kijke. Dat was nog in de tijd dat de ‘plisie’ alleen door hun aanwezigheid al indruk maakte. Dat was over zodra er gesproken werd over ‘oom agent.’

Van iemand die niet de waarheid sprak, zei men; ‘hij liegt of het gedrukt staat.' Alsof alles wat gedrukt staat de waarheid is. Dat was niet zo maar; papier is geduldig.

Iemand die met horten en stoten lachte, lachte op afbetaling. 

Iemand waar weinig leven in zat was een dooie diender en iemand die wat stijfjes over kwam een houten klaas. ‘Ik ben geen filosofische instelling’  zei eens iemand tegen me toen hij vertelde dat hem om geld gevraagd was. Hij bedoelde waarschijnlijk filantropische.

‘Zit hem niet zo te négeren’, zei mijn moeder als ik mijn broertje plaagde. En als ik om geld vroeg zei ze; ‘Ik ben Rothschild niet’. Lang heb ik gedacht dat die naam een scheldwoord was tot ik ergens hoorde dat Rothschild een rijke bankier was.

Wat is het toppunt van gladheid? Een paling in een emmer snot. Het toppunt van lawaai zal ik u besparen omdat dat tamelijk grof is. 

Van eten waar je gauw vol van zat zei mijn moeder; het foeit (voedt). 

Ik was (en ben) niet zuinig op mijn kleren wat vaak de opmerking opleverde; ‘jij ben niks nut, kijk eens je kleren liggen in één piskreuk’.

Vaak deed ik in haar ogen onzinnige dingen en dan vroeg ze; waar heb dat nou voor nodig? Meestal wist ik het niet want niet overal is een reden voor. 

Zaad dat slecht kiemde in de groentetuin kwam niet van z’n end af en tuinbonen heetten Roomse bonen. Loof heette lof en snijbonen groeiden langs staken. 

Poep je niet dan rust je toch was het gezegde als het op het toilet niet lukte. En nou we het er toch over hebben; iets was klaar in een vloek en een zucht of in een poep en een scheet. Ik heb dat niet verzonnen, ik ben alleen maar de doorgever dus kijk mij er niet op aan s.v.p.

Iemand die alleen was had kip noch kraai, zelfs als hij in Rijsoord woonde. En iemand die vroeg naar bed ging, ging met de kippen op stok

Ik had en heb wat je noemt peehaar en als mijn moeder met veel water en moeite een slag in mijn haar gelegd had zei ze; kijk eens aan, de slag van Wassenaar. Maar het bleef een pleeborstel.

Als je iemand niet verstond vroeg je, wat zeggie? Dan kon je het antwoord als je valt dan leggie, krijgen of als je he zei zeiden we ja, dat is een afkorting van hengst. Het slaat nergens op, maar we zeiden het wel.

Wat we nog meer zeiden vertel ik u over een aantal weken wel weer. Er is nog wel wat.

Teun Rijsdijk