
De viering van Koninginnedag
Algemeenrubriek Stichting Oud Ridderkerk
Op Koninginnedag, die sinds Koningin Juliana regeerde, op 30 april gevierd werd, was het altijd feest. Weken van tevoren hadden alle schoolklassen liedjes geoefend als Schildwachtje, wendt je hoofdje niet, In naam van Oranje, Wilt heden nu treden enzovoort. Het Wilhelmus hoefden we nauwelijks te oefenen, dat kenden we, in tegenstelling tot veel landgenoten van nu, uit ons hoofd.
Op Koninginnedag werden we klassikaal afgemarcheerd naar het gemeentehuis voor de samenzang o.l.v. mevrouw Grimberg-Huizer. Ze dirigeerde ons geloei vanaf het bordes van dat mooie gemeentehuis dat we vroeger hadden voor dat het opgeofferd werd aan de vooruitgang die wij Ridderhof noemen. Natuurlijk probeerde je de leerlingen van de andere scholen de loef af te steken door wat harder te schreeuwen of wat eerder te beginnen wat soms lukte. Je zag ze meer als concurrenten dan als lotgenoten.
‘s Middags waren we vrij en gingen we naar de wei van boer Groenenboom waar je kon kuipsteken, mastklimmen, hanengevecht, en natuurlijk ook zaklopen.
Op een keer had mijn vader mij opgegeven voor het zaklopen. Nou is zaklopen eigenlijk een misleidend woord want je kon helemaal niet lopen in zo’n zak. Dat ging even moeilijk als lopen met een paar nieuwe klompen waar het touwtje nog aan zat, dat schoot ook niet op. Je moest niet lopen, je moest huppen. Maar ja, zakhuppen klinkt natuurlijk niet. Als je zei dat je kampioen zakhuppen voor jongens van Ridderkerk was werd je overal weggehoond. Dus heette het zaklopen, maar het bleef huppen.
Het ging als volgt: Je stapte in zo’n muffe aardappel zak waarvan er eind april toch genoeg leeg in de schuur lagen, trok hem strak onder de oksels, zocht met je tenen de punten en bewoog je met kleine hupjes voorwaarts.
Ik had thuis op het straatje achter ons huis geoefend en dat ging goed. Volgens de buren had ik, mits ik voorzichtig werd gebracht, alles in me om een grote zakhupper te worden mede omdat ik als één van de weinigen een vlak schema kon huppen. Ik was dan ook voorbestemd om de naam van de familie Rijsdijk tot ver over de gemeentegrenzen bekend te maken.
Ik was op tijd op het weiland voor de warming-up en toen de wedstrijd daar was hees ik me in een zak terwijl mijn vader mij nog enige technische tips toevertrouwde. Ik zou in het tweede gedeelte van het parcours toeslaan als de concurrentie verschijnselen van vermoeidheid begon te vertonen. Maar eerst moest ik in gesprek met het gras zien te komen.
Ik viel in het startschot, maar helaas, ik zat niet goed in de wedstrijd en halverwege spatte mijn droom letterlijk uiteen in één van de vele koeienvlaaien waarmee de wei feestelijk opgesierd was.
Maar het leven ging verder en ‘s avonds was er op dezelfde wei een feestprogramma waar ik met een schoolvriendje naar toe ging. Van zeildoek en planken was een overdekt podium gebouwd waar toen bekende artiesten optraden als: Het Hotcha Trio, (mondharmonica‘s) Helma en Selma, (zingende zusjes) of Jan Tromp, (kunstfluiter die op zijn vingers toen bekende smartlappen als Droomland floot) en dit alles met grappen en grollen aan elkaar gepraat door een conferencier. (Frans Vrolijk of een kloon daarvan omdat Kees de Lange te duur was en Mans Uut Twente te veel reiskosten vroeg).
Soms werd er een film gedraaid van George Formby met zijn ukelele, (Zet hem op, George) of van Norman Wisdom (De vierkante rekruut).
Als je dan ‘s avonds laat, moe en tot je enkels onder de koeienpoep, maar voldaan thuiskwam, had je een leuke Koninginnedag gehad.
Een grootse carrière als zakhupper zat er toch niet in.
Teun Rijsdijk

















