
Tram in Ridderkerk? (deel 1)
AlgemeenRubriek stichting Oud Ridderkerk
Begin deze eeuw werden plannen bekend de RET-tramlijn 23 door te trekken van de Beverwaard naar Ridderkerk. Langs de Rotterdamseweg, via de sportvelden en dwars door het centrum, wat een solide tegenstand van een fors deel van de Ridderkerkse bevolking opleverde. Eerst in 2020, na jaren met forse discussies, ging het plan met één hamerslag in de vergadering van Provinciale Staten van de baan. Toch had Ridderkerk/Rijsoord ooit vele jaren een tram. Een stoomtram weliswaar, van de RTM, en nog slechts weinigen in ons dorp hebben die met eigen ogen zien rijden.
In vroeger eeuwen was de samenleving grotendeels statisch. Weliswaar werden personen, grondstoffen en producten per kar en boot vervoerd, maar die verplaatsing van personen en goederen had een sterk lokaal karakter. De bevolking, zeker op de Zuid-Hollandse- en Zeeuwse-eilanden, was zeer honkvast. Het eigen dorp of eiland werd maar zelden verlaten. Het volgen van een voortgezette opleiding, elders uit te voeren werkzaamheden of de militaire dienstplicht, waren wel aanleiding tot verder reizen.
Op onder andere de Zuid-Hollandse eilanden kwam een grote ommekeer in het laatste kwart van de negentiende- en het eerste decennium van de twintigste eeuw. De industrialisatie en de havenontwikkeling in Rotterdam en de regio, zorgden voor een grote trek van landarbeiders naar de stad, die daardoor qua omvang enorm toenam. Hierdoor ontstond bij “nieuwe Rotterdammers” de behoefte hun familieleden op de eilanden af en toe te bezoeken. Ook de zakenwereld in Rotterdam kwam tot de ontdekking dat er op de eilanden een afzetgebied voor hun producten en diensten ontstond. Zo werd de Beijerlandselaan in Rotterdam-Zuid een populair winkelgebied voor de bevolking van de Hoeksche Waard. De suikerfabriek in Puttershoek kon sterk groeien door de aanvoer van bieten met de goederentrams van de RTM en Rotterdamse ziekenhuizen kregen een uitgebreider regiofunctie. Alleen in die historische context kon de RTM haar lijnennet aanleggen en daarna gestaag uitbreiden.
Enkele plaatsen aan de rand van de eilanden hadden bootverbindingen met Rotterdam of Vlaardingen en waren goed bereikbaar. Echter om vanuit de dorpen midden op de eilanden Rotterdam te bereiken en weer terug te keren naar huis moest je, vanwege de desolate toestand van het wegennet in de negentiende eeuw, een dag uittrekken. Onverharde modderige zand- en grindwegen, met veel kuilen vormden een hindernis. Zo was de enige bruikbare doorgaande weg op het eiland IJsselmonde de Dordtsestraatweg (buiten Rotterdam de Rijksstraatweg) die diagonaal over het eiland liep: van het Zwijndrechtseveer, via Rijsoord, naar het Katendrechtseveer, tegenover de Veerhaven. Dit veranderde toen vanaf 1898 de RTM startte met de exploitatie van stoomtram- en veerdiensten op en tussen de eilanden, ten zuiden van Rotterdam. De komst van de RTM betekende in veel gevallen een enorme versnelling van de vervoersbewegingen. De RTM zou daar ruim een halve eeuw de belangrijkste vervoerder blijven. Het bedrijf beschikte op zijn hoogtepunt over 235 kilometer tramspoor. Wie destijds vanuit Burgh op de kop van Schouwen met de RTM tram en -veerschepen reisde, was binnen vijf en een half uur in Rotterdam!
(in deel 2; RTM in ons dorp)
Ton Remans

















